Monday, September 17, 2007

Ramadan

Afgelopen donderdag is de vastenmaand begonnen: geen eten en drinken van zonsopgang tot zonsondergang. De eerste dagen van de Ramadan bracht ik door op Pulo Breueh, een van de kleine eilandjes voor de kust van Banda Atjeh. Mijn vrees dat er gedurende de Ramadan niet zoveel te beginnen was in het veld werd bevestigd. Een kennis hier grapte al eens: “During Ramadan productivity decreases in Indonesia from 10% to 2%.” Mensen delen hun dag in op zo’n manier dat ze zo min mogelijk energie verspelen gedurende het daglicht. Op Pulo Breueh, een eiland waar het grootste deel van de dag geen elektriciteit is en de luxe van een airco ver te zoeken is, betekent dat lethargie. Niet drinken in de vochtige hitte van de tropen is moordend.

Om half vijf ’s ochtends vinden de eerste gebeden plaats en wordt er ontbeten. Daarna gaan de meeste mensen weer slapen, en blijven vervolgens zo lang mogelijk liggen. De middag gaat voor een groot deel op aan het voorbereiden van de avondmaaltijd. Om zeven uur wordt het vasten gebroken, waarna men voor zo’n twee uur de moskee induikt. Na half tien komen de mensen weer tot leven. De koffiestalletjes stromen vol en blijven tot diep in de nacht open, soms tot het tijd is om alweer aan de voorbereidingen voor het ontbijt te beginnen.

In Atjeh geldt Sharia-wetgeving, wat betekent dat alle moslims verplicht zijn zich aan de Ramadan te houden, op straffe van vier jaar gevangenis of 2 zweepslagen (ik verzin het niet). Ook op het aanzetten van moslims tot het breken van het vasten (bijvoorbeeld door het verkopen van etenswaren op straat midden op de dag) staat een stevige straf: één jaar gevangenis of zes slagen met de zweep. Eindelijk dringt het fundamentele verschil van dit rechtsysteem tot mij door. Het zijn niet zomaar andere regels en andere straffen. De basis van ons rechtsysteem is dat iedereen mag doen wat hij wil, zolang hij daar een ander maar geen kwaad mee doet. Moreel gedrag is een zaak van het individu: iets wat hij met zichzelf of zijn schepper moet uitzoeken. Hier is het morele gedrag van het individu een zaak van het collectief en worden sommige morele regels opgelegd. Hier mogen moslims niet zelf bedenken hoe zij hun geloof interpreteren: of ze vasten, of ze op vrijdag naar de moskee gaan, of ze als vrouw een hoofddoek willen dragen.

Ik als westerling mag deze wetgeving dan als vrijheidsbeperkend en onderdrukkend ervaren, ik ben nog geen Atjeeër tegengekomen die de plicht tot het zich houden aan de Ramadan als een probleem ervaart. Zelfs de meest afvallige moslims die zelden een moskee meer van binnen zien volgen in volle overtuiging het vasten.

Terug in Banda Atjeh op vrijdagmiddag vond ik een inbox vol met ongeruste mailtjes over de aardbevingen die deze week op Sumatra hebben plaatsgevonden. Op het afgelegen eiland (zo’n 1300 km van het epicentrum van de aardbevingen vandaan) zonder mobiel bereik hadden wij niets gemerkt en sijpelde het nieuws over de aardbevingen pas een dag later door. Maar in Banda Atjeh heeft het tsunami-alarm weer geloeid, wat vast weer voor gespannen situaties zal hebben gezorgd.

Ik zag ook de veranderingen die de stad had ondergaan voor de Ramadan. Aan het eind van de middag worden er overal op straat eetstalletjes opgezet die specialiteiten verkopen die bij het breken van het vasten gegeten worden. Tussen half acht en half tien zijn de wegen uitgestorven en zijn alle moskeeën volgepakt. De hele stad zingt van de gebeden die uit alle moskeeën omgeroepen worden, een magisch geluid. De auto’s en brommers staan drie rijen dik geparkeerd voor de Mesjid Raya, de grote moskee van Banda Atjeh.

Leuk en aardig, die Ramadan, het was vrijdagavond en ik was erg toe aan een biertje. Maar helaas, schrale wijn uit koffiekopjes was het enige wat er te vinden was in Pace Bene, het soort van Italiaanse restaurant waar ik menig vrijdagavondje doorbreng. Die hadden blijkbaar een stevige waarschuwing van de sharia-politie gekregen. En de Nederlandse vriend met wie ik was had ook nog eens besloten met zijn collega’s mee te vasten en de alcohol te laten staan, dus met hem was ook niet veel te beleven.

Zaterdag ging het beter met de alcoholvoorziening. Toen heb ik eindelijk de legendarische WFP-bar mogen betreden. WFP staat voor World Food Programme, het Wereldvoedselprogramma van de Verenigde Naties. Naast voedselhulp aan de door de mensen die door de tsunami getroffen zijn onderhoudt WFP ook een goed restaurant en een bar. De WFP-bar, daar gebeurde het in de early days na de tsunami. Op vrijdagavond gingen daar de remmen los en stond de expat gemeenschap op de bar te dansen. Maar na wat vervelende aanvaringen met de sharia-politie (er werd ook geschonken aan Indonesiërs) zakte het in bij de WFP en werd Pace Bene, het Italiaanse restaurant, de place to be. Maar WFP is back, zowel op vrijdag als op zaterdagavond.

Hoe weinig heb je nodig om een stampende bar te creëren: een huiskamer, een bar waar die tegen een stootje kan, een laptop met een paar goede boxen, wat eierdozen aan de muur met een gekleurd spotje erop gericht, koud bier en vooral een club mensen die er zin in hebben. Mijn Nederlandse vriend had ook maar besloten het vasten op zaterdagavond voor gezien te houden, dus die was ook weer gezellig. Zo kom ik de Ramadan wel door!

Thursday, September 6, 2007

Vakantie

Het is voorbij, de bijna vier weken durende reis met mijn ouders en broertje door Indonesië. Geheel in de lijn der verwachting was het een geweldige reis. En we hebben elkaar gedurende die vier weken op elkaars lip ook niet de hersens ingeslagen, dus dat viel ook weer mee.

Eerst kwam Onno voor een paar dagen naar Atjeh, om te kijken wat ik hier nou uitvoer. Op mijn brommertje hebben we de stad en omgeving verkend. Ik nam hem mee naar een paar plaatsen die de impact van de tsunami heel tastbaar maken. Zoals bijvoorbeeld de megagrote elektriciteitsboot die enkele kilometers van kust midden in een dorp is neergekomen. Het dorp is inmiddels organisch om de boot heen herbouwd. En naar een massagraf in het zwaarst getroffen gebied van de stad. Of naar een dorp van duizenden volstrekt identieke huisjes dat in een noodgang door het Chinese Rode Kruis uit de grond wordt gestampt. Onno was behoorlijk onder de indruk van dit vreemde nieuwe land en van de door de tsunami kaalgeslagen landschappen.

Daarna gingen we saampjes naar Medan, waar onze ouders inmiddels waren aangekomen. We ontmoetten hen in een prachtig hotel een stukje buiten de stad, en dat hotel hebben we de rest van de dag niet meer verlaten, we hadden genoeg bij te kletsen! In de week die volgde bezochten we de drie hoogtepunten van Noord-Sumatra: Het Tobameer, Bukit Lawang en Berastagi.

Het was de derde keer dat ik het Tobameer bezocht, dus dat was inmiddels gesneden koek voor mij. Hier hees ik de familie op brommertjes en gingen we zo het eiland verkennen en de prachtige huizen en grafmonumenten van de Batakkers bewonderen.

Vervolgens aapjes kijken in de jungle. Bukit Lawang ligt in het Gunung Leuser National Park, een van de weinige plekken ter wereld waar orang utangs in het wild leven. Bij Bukit Lawang wordt een voederplek voor orang utangs onderhouden, en is het dus heel gemakkelijk om de beesten te spotten. Onno en ik doken een ochtendje met een gids het oerwoud in en hebben de geweldige furballs van heel dichtbij kunnen bewonderen.

Daarna gingen we door naar Berastagi, een dorp hoog gelegen in een prachtig berggebied, waar vooral Wineke even bij kon komen van de hete en vochtige jungle.

Vervolgens namen we het vliegtuig naar Jakarta, om onze reis in Java voort te zetten. Wat ons in Jakarta direct opviel: de enorme verkeerschaos en de dikke laag bruine smog die over de stad hangt. En ook hoe weinig er nog van het oude Batavia over is. De meeste gebouwen uit de koloniale tijd die er nog zijn, staan er zieligjes bij en worden overschaduwd door de prestigieuze wolkenkrabbers die in snel tempo verrijzen. De enige plek waar je nog iets van de oude koloniale sfeer kan opsnuiven is het Fatahilla-plein, waar het legendarische café Batavia gevestigd is. Hier dronken we koffie om daarna snel deze megastad te verlaten.

Op Java reisden we in anderhalve week van west naar oost via bekende hoogtepunten. Eigenlijk teveel om op te noemen. De hooggelegen theeplantages bij Bandung, de prachtige rijstvelden en valleien op de treinreis van Bandung naar Yogyakarta, de duizend jaar oude heiligdommen van Borobodur en Prambanan en de zon zien opgaan bij de rokende Bromo-vulkaan zijn wel mijn persoonlijke hoogtepunten van deze reis.

Vervolgens maakten we per veerpont de oversteek naar Bali. Bali is... hemels. Het is overduidelijk dat dit eiland leeft op het toerisme, maar het platte en vulgaire wat toerisme vaak met zich meebrengt is hier beperkt gebleven. Bijna overal is de traditionele Hinduistische wijze van leven nog bewaard gebleven. Alleen in Kuta, het Zandvoort van Bali waar een paar jaar terug ook die bommen waren afgegaan is er weinig oorspronkelijks meer te bekennen. De laatste week van de vakantie hebben we vooral geluierd en genoten van de prachtige natuur. Als het even kan vlucht ik weer naar dit Hinduistische oord tijdens het Suikerfeest in oktober, wanneer het leven in de rest van Indonesië stil zal komen te liggen.

Inmiddels ben ik alweer ruim een week in deze noordelijke uithoek van Indonesië aan het werk. Buiten is het grijs, de regentijd nadert. Ramadan nadert eveneens: vanaf volgende week wordt het overdag op een houtje bijten hier. Ben benieuwd hoe ik die tijd ga doorkomen!