Het is voorbij, de bijna vier weken durende reis met mijn ouders en broertje door Indonesië. Geheel in de lijn der verwachting was het een geweldige reis. En we hebben elkaar gedurende die vier weken op elkaars lip ook niet de hersens ingeslagen, dus dat viel ook weer mee.
Eerst kwam Onno voor een paar dagen naar Atjeh, om te kijken wat ik hier nou uitvoer. Op mijn brommertje hebben we de stad en omgeving verkend. Ik nam hem mee naar een paar plaatsen die de impact van de tsunami heel tastbaar maken. Zoals bijvoorbeeld de megagrote elektriciteitsboot die enkele kilometers van kust midden in een dorp is neergekomen. Het dorp is inmiddels organisch om de boot heen herbouwd. En naar een massagraf in het zwaarst getroffen gebied van de stad. Of naar een dorp van duizenden volstrekt identieke huisjes dat in een noodgang door het Chinese Rode Kruis uit de grond wordt gestampt. Onno was behoorlijk onder de indruk van dit vreemde nieuwe land en van de door de tsunami kaalgeslagen landschappen.
Daarna gingen we saampjes naar Medan, waar onze ouders inmiddels waren aangekomen. We ontmoetten hen in een prachtig hotel een stukje buiten de stad, en dat hotel hebben we de rest van de dag niet meer verlaten, we hadden genoeg bij te kletsen! In de week die volgde bezochten we de drie hoogtepunten van Noord-Sumatra: Het Tobameer, Bukit Lawang en Berastagi.
Het was de derde keer dat ik het Tobameer bezocht, dus dat was inmiddels gesneden koek voor mij. Hier hees ik de familie op brommertjes en gingen we zo het eiland verkennen en de prachtige huizen en grafmonumenten van de Batakkers bewonderen.
Vervolgens aapjes kijken in de jungle. Bukit Lawang ligt in het Gunung Leuser National Park, een van de weinige plekken ter wereld waar orang utangs in het wild leven. Bij Bukit Lawang wordt een voederplek voor orang utangs onderhouden, en is het dus heel gemakkelijk om de beesten te spotten. Onno en ik doken een ochtendje met een gids het oerwoud in en hebben de geweldige furballs van heel dichtbij kunnen bewonderen.
Daarna gingen we door naar Berastagi, een dorp hoog gelegen in een prachtig berggebied, waar vooral Wineke even bij kon komen van de hete en vochtige jungle.
Vervolgens namen we het vliegtuig naar Jakarta, om onze reis in Java voort te zetten. Wat ons in Jakarta direct opviel: de enorme verkeerschaos en de dikke laag bruine smog die over de stad hangt. En ook hoe weinig er nog van het oude Batavia over is. De meeste gebouwen uit de koloniale tijd die er nog zijn, staan er zieligjes bij en worden overschaduwd door de prestigieuze wolkenkrabbers die in snel tempo verrijzen. De enige plek waar je nog iets van de oude koloniale sfeer kan opsnuiven is het Fatahilla-plein, waar het legendarische café Batavia gevestigd is. Hier dronken we koffie om daarna snel deze megastad te verlaten.
Op Java reisden we in anderhalve week van west naar oost via bekende hoogtepunten. Eigenlijk teveel om op te noemen. De hooggelegen theeplantages bij Bandung, de prachtige rijstvelden en valleien op de treinreis van Bandung naar Yogyakarta, de duizend jaar oude heiligdommen van Borobodur en Prambanan en de zon zien opgaan bij de rokende Bromo-vulkaan zijn wel mijn persoonlijke hoogtepunten van deze reis.
Vervolgens maakten we per veerpont de oversteek naar Bali. Bali is... hemels. Het is overduidelijk dat dit eiland leeft op het toerisme, maar het platte en vulgaire wat toerisme vaak met zich meebrengt is hier beperkt gebleven. Bijna overal is de traditionele Hinduistische wijze van leven nog bewaard gebleven. Alleen in Kuta, het Zandvoort van Bali waar een paar jaar terug ook die bommen waren afgegaan is er weinig oorspronkelijks meer te bekennen. De laatste week van de vakantie hebben we vooral geluierd en genoten van de prachtige natuur. Als het even kan vlucht ik weer naar dit Hinduistische oord tijdens het Suikerfeest in oktober, wanneer het leven in de rest van Indonesië stil zal komen te liggen.
Inmiddels ben ik alweer ruim een week in deze noordelijke uithoek van Indonesië aan het werk. Buiten is het grijs, de regentijd nadert. Ramadan nadert eveneens: vanaf volgende week wordt het overdag op een houtje bijten hier. Ben benieuwd hoe ik die tijd ga doorkomen!
Eerst kwam Onno voor een paar dagen naar Atjeh, om te kijken wat ik hier nou uitvoer. Op mijn brommertje hebben we de stad en omgeving verkend. Ik nam hem mee naar een paar plaatsen die de impact van de tsunami heel tastbaar maken. Zoals bijvoorbeeld de megagrote elektriciteitsboot die enkele kilometers van kust midden in een dorp is neergekomen. Het dorp is inmiddels organisch om de boot heen herbouwd. En naar een massagraf in het zwaarst getroffen gebied van de stad. Of naar een dorp van duizenden volstrekt identieke huisjes dat in een noodgang door het Chinese Rode Kruis uit de grond wordt gestampt. Onno was behoorlijk onder de indruk van dit vreemde nieuwe land en van de door de tsunami kaalgeslagen landschappen.
Daarna gingen we saampjes naar Medan, waar onze ouders inmiddels waren aangekomen. We ontmoetten hen in een prachtig hotel een stukje buiten de stad, en dat hotel hebben we de rest van de dag niet meer verlaten, we hadden genoeg bij te kletsen! In de week die volgde bezochten we de drie hoogtepunten van Noord-Sumatra: Het Tobameer, Bukit Lawang en Berastagi.
Het was de derde keer dat ik het Tobameer bezocht, dus dat was inmiddels gesneden koek voor mij. Hier hees ik de familie op brommertjes en gingen we zo het eiland verkennen en de prachtige huizen en grafmonumenten van de Batakkers bewonderen.
Vervolgens aapjes kijken in de jungle. Bukit Lawang ligt in het Gunung Leuser National Park, een van de weinige plekken ter wereld waar orang utangs in het wild leven. Bij Bukit Lawang wordt een voederplek voor orang utangs onderhouden, en is het dus heel gemakkelijk om de beesten te spotten. Onno en ik doken een ochtendje met een gids het oerwoud in en hebben de geweldige furballs van heel dichtbij kunnen bewonderen.
Daarna gingen we door naar Berastagi, een dorp hoog gelegen in een prachtig berggebied, waar vooral Wineke even bij kon komen van de hete en vochtige jungle.
Vervolgens namen we het vliegtuig naar Jakarta, om onze reis in Java voort te zetten. Wat ons in Jakarta direct opviel: de enorme verkeerschaos en de dikke laag bruine smog die over de stad hangt. En ook hoe weinig er nog van het oude Batavia over is. De meeste gebouwen uit de koloniale tijd die er nog zijn, staan er zieligjes bij en worden overschaduwd door de prestigieuze wolkenkrabbers die in snel tempo verrijzen. De enige plek waar je nog iets van de oude koloniale sfeer kan opsnuiven is het Fatahilla-plein, waar het legendarische café Batavia gevestigd is. Hier dronken we koffie om daarna snel deze megastad te verlaten.
Op Java reisden we in anderhalve week van west naar oost via bekende hoogtepunten. Eigenlijk teveel om op te noemen. De hooggelegen theeplantages bij Bandung, de prachtige rijstvelden en valleien op de treinreis van Bandung naar Yogyakarta, de duizend jaar oude heiligdommen van Borobodur en Prambanan en de zon zien opgaan bij de rokende Bromo-vulkaan zijn wel mijn persoonlijke hoogtepunten van deze reis.
Vervolgens maakten we per veerpont de oversteek naar Bali. Bali is... hemels. Het is overduidelijk dat dit eiland leeft op het toerisme, maar het platte en vulgaire wat toerisme vaak met zich meebrengt is hier beperkt gebleven. Bijna overal is de traditionele Hinduistische wijze van leven nog bewaard gebleven. Alleen in Kuta, het Zandvoort van Bali waar een paar jaar terug ook die bommen waren afgegaan is er weinig oorspronkelijks meer te bekennen. De laatste week van de vakantie hebben we vooral geluierd en genoten van de prachtige natuur. Als het even kan vlucht ik weer naar dit Hinduistische oord tijdens het Suikerfeest in oktober, wanneer het leven in de rest van Indonesië stil zal komen te liggen.
Inmiddels ben ik alweer ruim een week in deze noordelijke uithoek van Indonesië aan het werk. Buiten is het grijs, de regentijd nadert. Ramadan nadert eveneens: vanaf volgende week wordt het overdag op een houtje bijten hier. Ben benieuwd hoe ik die tijd ga doorkomen!

No comments:
Post a Comment