Eerste bericht uit de Archipel!
Nauwelijks terug uit New York besloot ik mij alweer in een nieuw avontuur te storten. Ditmaal is de bestemming Banda Aceh, Indonesië geworden. Het komende jaar ga ik mij bezig houden met het bevorderen van de hulpverlening aan ouderen die getroffen zijn door de tsunami. Ik ga werken voor HelpAge International, een ontwikkelingsorganisatie die zich richt op ouderen in ontwikkelingslanden.
Vorige week donderdag stapte ik op het vliegtuig. Er waren drie hectische weken aan vooraf gegaan, waarin ik in vliegende vaart mijn vertrek heb geregeld, en ondertussen ook nog even zoveel mogelijk vriendjes, vriendinnetjes en familieleden heb gezien. Op mijn denderende afscheidsfeestje kwamen sommigen die ik sinds mijn vorige afscheidsfeestje nog niet eens had gezien!
Toen de rust na 24 uur afscheidsfeest in mijn huisje in Utrecht was weergekeerd, waarin ik afscheid had genomen van bijna iedereen die mij lief is, was het extra stil in huis en voelde ik mij ineens erg alleen en verloren. Wen er maar aan, zei een stemmetje in mijn hoofd, hier heb je voor gekozen... Na een paar weken hollen rennen vliegen en regelen sloeg de twijfel toe: is dit echt wat ik wil? Waarom moest dit ook alweer zo nodig? Weg van hier, weg van al deze lieve mensen, weg van huis? Relatie kapot gemaakt, zoveel waardevols kapot gemaakt voor... oude mensen op een ver eiland??
Waarom heb ik bedacht dat ik wil werken in een door oorlog en natuurrampen verwoest gebied, onveilig zelfs volgens ons ministerie, voor een of andere vage organisatie, waarvan ik niet eens weet of ik wel achter de doelen sta, laat staan de werkwijze? Waarom nu halsoverkop vetrekken, terwijl ik er nog niet eens over uit was of ik mij überhaupt wel kan vinden in het principe van ontwikkelingssamenwerking? Als ik dan zo nodig de wereld moet gaan verbeteren, denk ik dan echt dat de beste plek om daarmee te beginnen is in Atjeh, Indonesië? Dat betere hulpverlening aan ouderen na de tsunami de sleutel is tot de armoede de wereld uithelpen? En sinds wanneer voelde ik mij ookalweer zo betrokken bij deze mensen?
Krap een week aangekomen op dat verre eiland heb ik het antwoord op veel van deze vragen nog niet gevonden. Vooralsnog houd ik mij vast aan één van de vele wijze adviezen die ik de afgelopen weken heb gekregen: "We schamen ons voor onze misstappen, maar spijt krijgen we alleen van wat we nalaten." Mijn lijfspreuk voor de komende tijd.
De eerste paar dagen in archipel zijn in ieder geval goed bevallen. De reis verliep voorspoedig, en bij aankomst op Aceh stond mij een warm ontvangst door Deepak te wachten. (Trouwe lezertjes, ring any bells? Deepak was mijn 'baas' tijdens mijn stage in India. Nu zal hij weer mijn baas zijn, ditmaal als leidinggevende van de afdeling Atjeh van de organisatie waarvoor ik werk.) Hij nam mij gelijk mee naar het kantoor, waar ik met enkele van mijn nieuwe collegaatjes kon kennismaken.
De eerste indrukken van Banda Aceh: warm, veel palmbomen, ontwikkelingslandchaos, maar lang niet zo arm en verwoest als ik verwacht had. Ik had verwacht dat er niet meer veel over zou zijn van de stad, die het hevigst getroffen was door de tsunami, nadat het jaren lang geteisterd was door een gewelddadige afscheidingsbeweging. Maar de stad zelf is al grotendeels herbouwd. De diepe armoede die ik in India ben tegengekomen, heb ik hier nog niet gezien. Geen schurftige voddige zwerfkindjes hier, de mensen zien er welvarend uit.
In 2005 is er een vredesovereenkomst tussen de separatistische beweging en de Indonesische regering gesloten. Eén van de voorwaarden was dat men in Atjeh Islamitische wetgeving mag hanteren. Dit betekent dat alle Indonesische vrouwen hier gesluierd over straat moeten (ik hoef dat als buitenlander niet), dat alcohol verboden is en dat hier vijf keer per dag de oproep tot gebed door de luidsprekers schalt.
De economie draait hier nu grotendeels op de honderden internationale hulporganisaties die hier sinds de tsunami zijn neergestreken. Zo zijn bijvoorbeeld de huurprijzen van huizen en kantoren omhooggeschoten sinds de tsunami, doordat alle hulporganisaties en hun medewerkers gehuisvest moeten worden. En overal zie je glimmende SUVs met logo´s van VN tot Rode Kruis rondrijden.
Ik verblijf in een hotel dat permanent volgeboekt is en bewoond wordt door mensen die voor hulporganisaties werken. Mijn kamer is zo´n tien stappen bij het zwembad vandaan, en er is zelfs een ruimtetje met een soort van fitnessapparaten. Niet slecht hoor, het hulpverlenersbestaan! Nog steeds kijk ik met een soort van eerbied uit mijn raampje, wanneer ik een VN-jeep langs mijn raam zie rijden.
In het weekend nam Deepak mij mee op sleeptouw. Hij nam mij mee naar zijn Pakistaanse vrienden, die in een prachtig groot huis wonen (mede mogelijk gemaakt door: Oxfam). Hun landen staan regelmatig op het punt een kernoorlog met elkaar te beginnen, maar in het buitenland herkennen zij hun gemeenschappelijke cultuur en trekken zij met elkaar op. Zaterdag kreeg ik een overheerlijke lunch voorgeschoteld, gevolgd door een heerlijk langdradige Bollywood film. En zondag gingen we naar een waterval een eindje van Banda Aceh vandaan. Zwemmen in de waterval ging sharia-style, dus met kleding aan, en voor de Indonesische meisjes met hoofddoek. Sinds het afzwemmen voor mijn B-diploma had ik niet meer met kleren aan gezwommen!
Dit tripje gaf mij een eerste kans om de prachtige natuur van Atjeh te bewonderen, en te zien welke schade de tsunami buiten de stad heeft aangericht. Een groot deel van de weg waar we op reden was weggeslagen en nog niet volledig gerepareerd. Ook was te zien hoeveel er de afgelopen twee jaar al is opgebouwd. Overal zie je rijen volstrekt identieke huisjes staan. Deepak vertelde dat veel van deze huisjes niet bewoond zijn omdat ze niet voldoen aan de wensen van de bevolking. Een eerste glimps van de paradoxen van de tsunami-hulpverlening.
Mijn eerste werkdag bestond uit een tripje naar een klein bounty-eiland, Pulo Nasi, dat door de tsunami getroffen was. Een hulporganisatie die daar actief was wilde graag met ons samenwerken (lees: geld van ons ontvangen), en Deepak en ik gingen kijken wat de mogelijkheden waren. Samen met enkele vertegenwoordigers van een Duitse organisatie die reeds projecten op het eiland steunen vetrokken wij met een gemotoriseerde kano-achtige boot. Vervolgens verder het eiland in, staand achterop een pick-up wagen over kronkelige hobbelige weggetjes. Ik kon maar niet geloven dat ik dit nu mijn werk mocht noemen, wat een leven!
Dit eiland was hard getroffen door de tsunami: van de 5000 bewoners waren er 2000 omgekomen. Een groot stuk van het eiland is laaggelegen, en je kon goed zien hoe de vloedgolf zonder enige belemmering dat deel van het eiland heeft kunnen overspoelen. We werden feestelijk ontvangen door schattige dansende kleutertjes in de kleuterschool die met hulp van de Duitse organisatie herbouwd was. De rest van de dag werden we verder het eiland rondgetourd om stukjes landbouwgrond te bewonderen die met de hulp van de Duitse organisatie weer opnieuw ontgonnen werden. Ik word altijd een beetje ongemakkelijk wanneer je zo als hooggeëerde gast wordt ontvangen. Telkens was er het momentje van plaatsvervangende schaamte wanneer de gratis t-shirts van de hulporganisatie aan de landarbeiders werden uitgedeeld.
Terug op kantoor ben ik begonnen met inwerken. Volgende keer meer over mijn werkzaamheden. Het is nu hoog tijd voor een duikje in mijn zwembad!
Nauwelijks terug uit New York besloot ik mij alweer in een nieuw avontuur te storten. Ditmaal is de bestemming Banda Aceh, Indonesië geworden. Het komende jaar ga ik mij bezig houden met het bevorderen van de hulpverlening aan ouderen die getroffen zijn door de tsunami. Ik ga werken voor HelpAge International, een ontwikkelingsorganisatie die zich richt op ouderen in ontwikkelingslanden.
Vorige week donderdag stapte ik op het vliegtuig. Er waren drie hectische weken aan vooraf gegaan, waarin ik in vliegende vaart mijn vertrek heb geregeld, en ondertussen ook nog even zoveel mogelijk vriendjes, vriendinnetjes en familieleden heb gezien. Op mijn denderende afscheidsfeestje kwamen sommigen die ik sinds mijn vorige afscheidsfeestje nog niet eens had gezien!
Toen de rust na 24 uur afscheidsfeest in mijn huisje in Utrecht was weergekeerd, waarin ik afscheid had genomen van bijna iedereen die mij lief is, was het extra stil in huis en voelde ik mij ineens erg alleen en verloren. Wen er maar aan, zei een stemmetje in mijn hoofd, hier heb je voor gekozen... Na een paar weken hollen rennen vliegen en regelen sloeg de twijfel toe: is dit echt wat ik wil? Waarom moest dit ook alweer zo nodig? Weg van hier, weg van al deze lieve mensen, weg van huis? Relatie kapot gemaakt, zoveel waardevols kapot gemaakt voor... oude mensen op een ver eiland??
Waarom heb ik bedacht dat ik wil werken in een door oorlog en natuurrampen verwoest gebied, onveilig zelfs volgens ons ministerie, voor een of andere vage organisatie, waarvan ik niet eens weet of ik wel achter de doelen sta, laat staan de werkwijze? Waarom nu halsoverkop vetrekken, terwijl ik er nog niet eens over uit was of ik mij überhaupt wel kan vinden in het principe van ontwikkelingssamenwerking? Als ik dan zo nodig de wereld moet gaan verbeteren, denk ik dan echt dat de beste plek om daarmee te beginnen is in Atjeh, Indonesië? Dat betere hulpverlening aan ouderen na de tsunami de sleutel is tot de armoede de wereld uithelpen? En sinds wanneer voelde ik mij ookalweer zo betrokken bij deze mensen?
Krap een week aangekomen op dat verre eiland heb ik het antwoord op veel van deze vragen nog niet gevonden. Vooralsnog houd ik mij vast aan één van de vele wijze adviezen die ik de afgelopen weken heb gekregen: "We schamen ons voor onze misstappen, maar spijt krijgen we alleen van wat we nalaten." Mijn lijfspreuk voor de komende tijd.
De eerste paar dagen in archipel zijn in ieder geval goed bevallen. De reis verliep voorspoedig, en bij aankomst op Aceh stond mij een warm ontvangst door Deepak te wachten. (Trouwe lezertjes, ring any bells? Deepak was mijn 'baas' tijdens mijn stage in India. Nu zal hij weer mijn baas zijn, ditmaal als leidinggevende van de afdeling Atjeh van de organisatie waarvoor ik werk.) Hij nam mij gelijk mee naar het kantoor, waar ik met enkele van mijn nieuwe collegaatjes kon kennismaken.
De eerste indrukken van Banda Aceh: warm, veel palmbomen, ontwikkelingslandchaos, maar lang niet zo arm en verwoest als ik verwacht had. Ik had verwacht dat er niet meer veel over zou zijn van de stad, die het hevigst getroffen was door de tsunami, nadat het jaren lang geteisterd was door een gewelddadige afscheidingsbeweging. Maar de stad zelf is al grotendeels herbouwd. De diepe armoede die ik in India ben tegengekomen, heb ik hier nog niet gezien. Geen schurftige voddige zwerfkindjes hier, de mensen zien er welvarend uit.
In 2005 is er een vredesovereenkomst tussen de separatistische beweging en de Indonesische regering gesloten. Eén van de voorwaarden was dat men in Atjeh Islamitische wetgeving mag hanteren. Dit betekent dat alle Indonesische vrouwen hier gesluierd over straat moeten (ik hoef dat als buitenlander niet), dat alcohol verboden is en dat hier vijf keer per dag de oproep tot gebed door de luidsprekers schalt.
De economie draait hier nu grotendeels op de honderden internationale hulporganisaties die hier sinds de tsunami zijn neergestreken. Zo zijn bijvoorbeeld de huurprijzen van huizen en kantoren omhooggeschoten sinds de tsunami, doordat alle hulporganisaties en hun medewerkers gehuisvest moeten worden. En overal zie je glimmende SUVs met logo´s van VN tot Rode Kruis rondrijden.
Ik verblijf in een hotel dat permanent volgeboekt is en bewoond wordt door mensen die voor hulporganisaties werken. Mijn kamer is zo´n tien stappen bij het zwembad vandaan, en er is zelfs een ruimtetje met een soort van fitnessapparaten. Niet slecht hoor, het hulpverlenersbestaan! Nog steeds kijk ik met een soort van eerbied uit mijn raampje, wanneer ik een VN-jeep langs mijn raam zie rijden.
In het weekend nam Deepak mij mee op sleeptouw. Hij nam mij mee naar zijn Pakistaanse vrienden, die in een prachtig groot huis wonen (mede mogelijk gemaakt door: Oxfam). Hun landen staan regelmatig op het punt een kernoorlog met elkaar te beginnen, maar in het buitenland herkennen zij hun gemeenschappelijke cultuur en trekken zij met elkaar op. Zaterdag kreeg ik een overheerlijke lunch voorgeschoteld, gevolgd door een heerlijk langdradige Bollywood film. En zondag gingen we naar een waterval een eindje van Banda Aceh vandaan. Zwemmen in de waterval ging sharia-style, dus met kleding aan, en voor de Indonesische meisjes met hoofddoek. Sinds het afzwemmen voor mijn B-diploma had ik niet meer met kleren aan gezwommen!
Dit tripje gaf mij een eerste kans om de prachtige natuur van Atjeh te bewonderen, en te zien welke schade de tsunami buiten de stad heeft aangericht. Een groot deel van de weg waar we op reden was weggeslagen en nog niet volledig gerepareerd. Ook was te zien hoeveel er de afgelopen twee jaar al is opgebouwd. Overal zie je rijen volstrekt identieke huisjes staan. Deepak vertelde dat veel van deze huisjes niet bewoond zijn omdat ze niet voldoen aan de wensen van de bevolking. Een eerste glimps van de paradoxen van de tsunami-hulpverlening.
Mijn eerste werkdag bestond uit een tripje naar een klein bounty-eiland, Pulo Nasi, dat door de tsunami getroffen was. Een hulporganisatie die daar actief was wilde graag met ons samenwerken (lees: geld van ons ontvangen), en Deepak en ik gingen kijken wat de mogelijkheden waren. Samen met enkele vertegenwoordigers van een Duitse organisatie die reeds projecten op het eiland steunen vetrokken wij met een gemotoriseerde kano-achtige boot. Vervolgens verder het eiland in, staand achterop een pick-up wagen over kronkelige hobbelige weggetjes. Ik kon maar niet geloven dat ik dit nu mijn werk mocht noemen, wat een leven!
Dit eiland was hard getroffen door de tsunami: van de 5000 bewoners waren er 2000 omgekomen. Een groot stuk van het eiland is laaggelegen, en je kon goed zien hoe de vloedgolf zonder enige belemmering dat deel van het eiland heeft kunnen overspoelen. We werden feestelijk ontvangen door schattige dansende kleutertjes in de kleuterschool die met hulp van de Duitse organisatie herbouwd was. De rest van de dag werden we verder het eiland rondgetourd om stukjes landbouwgrond te bewonderen die met de hulp van de Duitse organisatie weer opnieuw ontgonnen werden. Ik word altijd een beetje ongemakkelijk wanneer je zo als hooggeëerde gast wordt ontvangen. Telkens was er het momentje van plaatsvervangende schaamte wanneer de gratis t-shirts van de hulporganisatie aan de landarbeiders werden uitgedeeld.
Terug op kantoor ben ik begonnen met inwerken. Volgende keer meer over mijn werkzaamheden. Het is nu hoog tijd voor een duikje in mijn zwembad!

No comments:
Post a Comment